Openings toespraak van Sipke Huismans, voorziter

‘In vroeger tijden, nog niet eens zo heel lang geleden, was het niet ongebruikelijk om schilderijen te “verbeteren”, bij voorbeeld door erop afgebeelde naakte personen van kleding te voorzien. Met olieverf kan dat. En als het meezit is een bekwame restaurateur later in staat die toevoegingen weer te verwijderen. Trouwens, ook de schilder zelf kàn op andere gedachten komen terwijl hij bezig is, en met de nieuwste technieken tonen de deskundigen dan aan wat er onder de oppervlakte van het voltooide schilderij staat. Pentimento wordt dat genoemd.
Met de aquarel is zoiets niet mogelijk. Zeker, er zijn aquarellisten die mislukte werkstukken onder de kraan houden, met een schuursponsje of zelfs bleekwater te lijf gaan, maar dat leidt meestal niet tot een voldragen product. Een goede aquarel maat de beschouwer gelukkig door zijn directe leesbaarheid en toegankelijkheid, door zijn wonderlijke lichtkracht en transparantie, door een geheimzinnig samengaan van planmatigheid en toeval. Het is alles of niets. Papier, verf, water, een penseel én een man of een vrouw die iets aan de schepping wil toevoegen. Nauwgezet, geduldig, maar ook met een zekere haast en urgentie. Veel verbluffende aquarellen zijn snel gemaakt.
Intussen bestaat “de” aquarel niet. Dat is goed te zien op de tentoonstelling van de Hollandse Aquarellistenkring in de Hogeschool Utrecht. Het metarealisme van Araun Gordijn naast de apocalyptische landschappen van Henri de Haas, de verfijnde interieurs van Agnes van Gelder naast de kleur- en vorm studies van Geeske Waslma, de hoofdoekjes van Rudolf Valster naast de soms confronterende verbeeldingen van Bert Osinga, de klassieke aandacht voor licht en textuur van JaapNieuwenhuis naast de niet minder lichte, intieme geestigheid van Ton de Kroon, de heldere feitelijkheid van Theo de Feyter (no pun intended) naast de soms barokke fantasie van William Lindhout; contrasten te over of, zoals de dichter zegt – de ruimte van het volledige leven.
De Hollandse Aquarellistenkring bestaat sinds 1945 en omvat een groot deel van de in Nederland actieve professionele aquarellisten; vele stijlen, opvattingen, werkwijzen en soorten van verbeelding zijn in de Kring verenigd. Op gezette tijden stelt het volledige ledenbestand, soms aangevuld met uitgenodigde gastexposanten, zijn werk tentoon. Daarnaast organiseert de vereniging thema-tentoonstellingen met werk van een aantal leden, als ook solo- of duopresentaties.
 
               Op de avondschool van de AKI werkte een zeer bevlogen docent als docent modeltekenen. Jan Gierveld, zélf een zeer verdienstelijk schilder had een dergelijke faam gekregen, dat van heinde en ver de deelnemers aan zijn lessen toestroomden. Dat een aantal daarvan niet ingeschreven was als student zagen wij als directie door de vingers, want het was duidelijk dat Jan's lessen in een grote behoefte voorzagen. Echter: zo nu en dan mengde zich onder de enthousiaste deelnemers aan zijn lessen iemand die helemaal niet kwam om te tekenen, maar om gezien te worden: een exhibitionist. Het gebeurde niet echt vaak, maar zo nu en dan was het raak: poedelnaakt stond hij dan wild om zich heen te kijken. Ik ben er zelf niet bij geweest, maar ik hoorde van een der deelnemende externe dames, dat hij met zachte hand naar de gang geduwd werd en zijn kleren achter hem aan gedragen. Toen zij vroeg, of hij het niet veel te koud vond, antwoordde hij: "Ach, mevrouw, als we dit allemáál zouden doen, was het hier binnen de kortste keren gloeiend heet..."
               Zonder nu de exposanten hier verenigd als alleen maar exhibitionisten te willen kwalificeren, is het natuurlijk wel zo, dat bij voorbeeld de prozagedichten van Baudelaire "Mon Coeur Mis A Nu" heten en dat elke kunstenaar iets van zijn naakte innerlijk in zijn werk toont, zodat ik wel degelijk, toen ik hier daarstraks binnenkwam iets van warmte, van hitte beleefde. Warmte en licht. Geluk.